Rocio octiofasciata (Regan 1903)

Tekst Rene Beerlink, Foto's Ronald Marcos
Etymologie: 

Rocio (spreek uit als rosío) is de naam van de vrouw van  Juan Schmitter-Soto (oprichter van het geslacht). De naam is Spaans voor “dauwdruppels”, dat (gezien het uiterlijk van deze vissen) ook erg toepasselijk is. Octofasciata: octo = acht + fasciata = banden.

Referentie: 

Regan C. T. 1903. Descriptions de poissons nouveaux faisant partie de la collection du Musée d'Histoire Naturelle de Genève. Revue Suisse de Zoologie. pp. 413-418. Zes jaar later beschreef Regan de vis nog 'n keer. Dit keer als Cichlasoma bioccelatum, wat “twee oogvlekken” betekent. Onder deze naam kreeg de vis bekendheid in de aquariumwereld. In 1975 ontdekt Sven Kullander de synonymie.

 

Incertae Sedis

Taxanomisch gezien heeft Rocio octofasciata door de jaren heen voor veel hoofdbrekens gezorgd en zelfs nu zijn de verwantschapslijnen nog niet geheel opgehelderd. Algemeen wordt aangenomen dat het taxon Rocio zeer oud is en dat de vissen over veel oorspronkelijke kenmerken beschikken. Kenmerken die ook bij veel andere geslachten terug te vinden zijn en waardoor Rocio moeilijk bij slechts één van hen in te delen is. Deze positie zou een eigen geslacht legitimeren en dit was dan ook precies wat Schmitter-Soto in 2007 deed. De Jack Dempsey kreeg een eigen geslacht, genoemd “Rocio” En je kan zeggen dat dit besluit met algemene instemming werd aanvaard. Het hele verspreidingsgebied van Veracruz tot Honduras werd bewoont door één soort (R. octiofasciatus), met uitzondering van twee microhabitats. Volgens Schmitter-Soto week de morfologie van de vissen uit Laguna Ocotal Chiapas en van Quantana Roo dermate sterk af dat hiervoor aparte soortennamen diende te komen. De vis uit Laguna Ocotal werd gedoopt tot Rocio ocotal en de vis uit quantana Roo heette voortaan Rocio gemmata.

 

Over deze laatste bewerking van Schmitter-Soto (de soortindeling), waren de reacties een stuk minder gelijkgestemd. Een veel gehoorde vaag was “zijn de verschillen wel significant genoeg om soortstatus te rechtvaardigen” en “zijn kleine morfologische verschillen niet inherent aan een groot verspreidingsgebied?” Bovendien bleek al snel dat  deze vermeende morfologische verschillen (zoals de roodkleuring) ook bij andere populaties voorkwam. Toch komen er ook geluiden uit Ichtyologische hoek die de indeling van Schmitter-Soto ondersteunen zoals Jeff Dubosc bijv. die terug kwam uit Quantana Roo met foto's die een Rocio tonen met naar het zich laat aanzien, afwijkend kopprofiel. Zodoende zal het laatste woord over Rocio voorlopig nog niet gesproken zijn. In afwachting daarvan volgt de NVC de indeling zoals door Schmitter-Soto in 2007 is voorgesteld.

 

 

Literatuur: 

Dr. Rüdiger Riehl, Hans A. Baensch. Aquarien Atlas, band 1, blz 692 – 693.

Beschrijving: 

De eerste Cichlidenliefhebbers aan het begin van de vorige eeuw hadden de keuze tussen twee soorten. Cichlasoma facetum (bijgenaamd de Chanchito) of de Rocio octofasciata. (met de bijnaam Jack Dempsey). Het is natuurlijk evident wie er hier met de populariteitsprijs vandoor is gegaan. Rocio octofasciata heeft na honderd jaar aquariumhistorie en zelfs, ondanks een uiterst slechte reputatie, nog niets aan populariteit ingeboet. Maar deze Rocio heeft dan ook echt “The Looks”. Gestoken in een maliënkolder van blinkend metaal, een brede muil met blauwe lippen en een vileine blik met strepen tussen de ogen (als een indiaan op oorlogspad), weet hij het stigma nog verder te vergroten.

 

Het profiel is slank, gewelfde rug, zijdelings samengedrukt. De grondkleur is grijs-bruin maar met een veelvoud van blauw-groene tot goud iriserende vlekken welke prachtig contrasteren. Een lengtestreep die op de kieuwdeksels begint maar meestal niet verder reikt dan halverwege het lichaam. Twee banden tussen de ogen, twee banden over de kop, acht banden over het lichaam en als laatste een oogvlek op de staartvin. Jonge dieren laten van dit bandenpatroon vaak maar weinig zien. Soms niet meer dan één vlek op de staartvin en één midden op het lichaam. Rugvin rood omzoomd, XVII – XIX  8 – 10, aarsvin XIII – X 7 – 8. Witte tot rossige buik (afhankelijk van de vindplaats). Er zijn dieren in aquaria die 25 cm hebben gehaald, maar meestal worden ze niet groter dan zo'n 20 cm. Bij 10 cm zijn ze geslachtsrijp.

 

Schmitter-Soto heeft de Jack Dempsey in 2007 opgesplitst in drie soorten. Behalve de hier besproken Rocio octofasciata kennen we nog de R. gemmata, endemisch in cenotes en meertjes in het Noorden van Quintana Roo, Yucatan en de R. ocotal, welke enkel voorkomt in laguna Ocotal in de staat Chiapas Mexico. Schmitter-Soto geeft de volgende diagnose voor Rocio octofasciata: De iriserende vlekken op de flanken niet groter dan de schubben; netjes uitgelijnd in 15 regelmatige rijen (ipv. niet duidelijk uitgelijnd); Buikzijde wit of grijzig gekleurd (ook bij R. gemmata, vs. rood bij R. ocotal); Hoek onderkant onderkaakbot scherp (ipv. recht). Eerste neurale wervel wijst naar voren (ipv. naar achteren); schubben rond de staartwortel niet meer dan 17 (ipv. altijd meer dan 19); Afstand van caudale darmbocht tot slokdarm groter dan 24% van de totale darmlengte versus minder dan16%.

Herkomst: 
Mexico, Guatamala, Belize, Honduras.
Verspreiding: 

Het verspreidingsgebied van R.octofasciata is in vegelijking met andere M-Amerikaanse Cichliden groot en betreft de Atlantische afhang van een groot deel van Midden Amerika. Ze loopt van Rio Chachalacas in de staat Veracruz, Oostwaarts helemaal door tot in Rio Ulua in Honduras. Populaties ten Noorden van de staat Veracruz zijn uitgezet. Ze kan binnen haar verspreidingsgebied  in nogal uiteenlopende wateren aangetroffen worden. Van rijk beplante, warme, ondiepe modderpoelen, tot metersdiepe Cenotes met koel helder water. Het enige dat ze lijken te mijden is een sterke stroming, want in tegenstelling tot wat je bij het slanke profiel van deze vis zou verwachten, is dit geen liefhebber van stromend water.  In provincies Tabasco en Veracruz komt ze voornamelijk voor in restpoelen en moerassen van laaglandrivieren, in Chiapas wordt ze in de uiterwaarden van de Usumacinta tot op een hoogte van 800 mtr (Stawikowski & Werner, 1998) aangetroffen en in Yucatan zijn het vaak de enige Cichliden in de cenotes.

 

Op veel plaatsen komt Rocio octofasciata als enigste Cichlidesoort voor. Zijn tolerantiegrenzen  reiken blijkbaar verder dan die van zijn concurrenten. Door dit sterke aanpassingsvermogen gedraagt R. octiofasciata zich op verschillende plaatsen in de wereld als een sterk invasieve exoot. Er zijn meldingen uit de VS, Australië, Thailand en zelfs uit Rusland. Deze laatste locatie betreft het Staraya Kuban Meer waar een compleet nieuw subtropisch ecosysteem is ontstaan. Deze dieren zijn hier uiteraard niet op natuurlijke wijze gearriveerd, tenzij je mensen, met hun eigenaardige gewoontes, ook rekent tot de natuur.  Alhoewel exoten overal in de wereld voor problemen zorgen zal dit wat betreft de Rocio's in Rusland binnen de perken blijven. Sterker nog, er zijn waarschijnlijk maar weinig plaatsen in de wereld waar je exoten zo gemakkelijk en effectief kunt bestrijden als in het Strayan Kuban Meer. Het tot stand komen maar ook het in stand houden van deze levensgemeenschap is geheel afhankelijk van het functioneren van een energiecentrale. Het uitstromende koelwater van deze centrale warmt het meer op en vormt zo een subtropisch eiland aan de randen van de Kaukasus.

Gedrag: 

Doorgewinterde Cichlidenliefhebbers hebben aan de initialen J.D. genoeg om te weten over welke vis het hier gaat. J.D. Staat voor Jack Demsey en Jack Dempsey was een wereldkampioen zwaargewicht boxer uit het begin van de vorige eeuw. Deze vis had dus de reputatie van 'n sloper, 'n vis die zich als een bulldozer door het aquarium bewoog op zoek naar levende wezens die hij dan tot in de dood vervolgde. Deze reputatie droeg de vis ruim een eeuw met zich mee. Enigszins overdreven weten we nu, maar achteraf wel te begrijpen. Het stigma ontstond in een tijd dat het enigste vergelijkingsmateriaal bestond uit Chinese Danio's, Kegelvlekbarbelen en Paradijsvisjes. En in dit licht was de vergelijking met Jack Demsy zo gek nog niet.

 

Inmiddels kennen we meer Cichliden en weten we dat agressie bij deze familie hoort en R. octiofasciatum vormt hierop geen uitzondering. Vooropgesteld dat medebewoners niet in de bek van deze Rocio passen is gezelschap van andere vissen zeer wel mogelijk en zelfs wenselijk. Separaat gehouden Rocio's (en dat geld voor meer Cichliden) leiden vaak een teruggetrokken en passief bestaan.  De meeste Cichliden overwinnen hun terughoudendheid juist als er meer leven in de bak is. Voor hen een teken dat de kust veilig is. R. octiofasciatum kan zich dan ontpoppen als een ondernemende maar rustig en nieuwsgierige bakbewoner die geen hoekje onverkend laat. Mede door de hoge leeftijd die de dieren kunnen bereiken ontstaat niet zelden een persoonlijke band tussen vis en mens.

Voedsel: 

Jack Dempsey's zijn alleseters. Maagonderzoek heeft uitgewezen dat deze dieren zich voornamelijk voeden met ongewervelden en draadalgen. (Valtierra-Vega & Schmitter-Soto, 2000, Hensley & Courtenay, 1980). Ook is waargenomen dat ze in de cenotes Escondido en Jardín del Edén aufwuch van de kalkhoudende rotsen afgraasden (Juan Artigas 2010).
 

Kweek: 

In de natuur vormen de paartjes zich, net als de meeste andere Cichliden, zich in de droge tijd, van Februari tot Mei. In de Cenotes van Yucatan echter, waarin de seizoensinvloeden minder invloed uitoefenen en het waterpeil veel constanter blijft, valt het broedseizoen in de periode Juni tot September (Juan Artigas 2010). Vrouwtjes zijn te herkennen aan de donkerkleuring en zijn over het algemeen een stuk kleiner dan de mannen. De mannen kleuren in de paartijd iriserend blauw. Het zijn open substraatbroeders die hun eieren vaak op ondiepe plaatsen op een vast oppervlak afzetten. De nesten kunnen tot zo'n 1000 eieren bevatten. Het vrouwtje bewaakt de eieren, het mannetje wordt hierbij steevast weggeduwd. Hij moet de omgeving veilig stellen en graaft alvast wat kuilen. Na drie dagen ontpoppen de jongen zich. De jongen die op dit moment nog niet zijn uitgekomen worden door de moeder uit hun eiomhulsel gekauwd en in één van de door de man gegraven broedkuilen gespuwd.

 

En nadat deze klus geklaard is gebeurd er iets vreemds. Iets dat door D. Zworykin, S. Budaev en A. Mochek 1998 uitgebreid gedocumenteerd wordt en waarbij zij het secundaire gedrag van de man “compensatory behavior” noemen. De moeder laat namelijk haar larven in de steek. Althans zo lijkt het. In de eerste drie dagen van het larvenstadium is het vooral de vader die behept is met de directe verzorging van het kroost. Voor zover ik weet is dit van geen enkele andere M-Amerikaanse Cichlide bekent. Aangenomen wordt dat hiermee het vrouwtje in de gelegenheid wordt gesteld te gaan foerageren, maar waarom dit voor R. octofasciata zwaarder lijkt te wegen dan voor andere Cichliden blijft voorlopig nog even onduidelijk. Na drie dagen komt er een einde aan deze fase en wordt de zorg gelijk verdeeld. De jongen worden dan van de ene nestkuil naar de andere verhuisd, soms wel vijf keer op een dag. Aangenomen wordt dat ze dit doen om nestrovers op een dwaalspoor te zetten. Na vijf dagen komt aan al dat gesleep een eind want dan zijn de dooierzakjes opgeteerd en gaan de jongen zwemmen.

 

Nu kan er met artemia gevoerd worden. Ook het mannetje kleurt nu donker en alles dat in de buurt van het nest durft te komen wordt aangevallen en hierbij beperken ze zich niet alleen tot vissen. Ook de hand van de verzorger wordt hard aangevallen als deze zich te dicht in de buurt waagt. De ouders voeren hun jonge dmv “fin digging”. Dit is een stukje broedgedrag waarbij de ouders met hun buikvinnen de bodem omwoelen zodat fijne partikeltjes bereikbaar worden voor hun jongen. De moeders doen dit vaker dan de vaders en het hongergevoel bij de ouders zelf is hierbij een belangrijke prikkel. De frequentie van Fin digging is bij hongerige ouders hoger dan bij gevoede ouders. Schakel op tijd over van Artemia naar Cyclops want de voedselbehoefte is groot. Bij het groter worden van de jongen neemt de zwartkleuring bij het vrouwtje geleidelijk aan af. Vaak zien we dan een tweede bijzonder verschijnsel.

 

De jongen gaan de slijmhuid van hun ouders afgrazen. Dit is overigens niet uniek voor R. octofasciatus. Het is uiteraard bekent bij Discusvissen, die hier hun specialiteit van hebben gemaakt, maar het komt ook voor binnen verschillende geslachten van Midden-Amerikaanse Cichliden.  Archocentrus,  Astatheros en zelf heb ik het eens meegemaakt bij Thorichthys meeki Angeles. Het gebeurt vooral als de jongen 2-3 cm groot zijn en de voedselbehoefte toeneemt. Dit in combinatie met het feit dat de meeste verzorgers alleen in staat zijn s'ochtends en s'avonds te voeren brengt de ouders er vaak toe, hun jongen op deze wijze te gaan voeden. De ouders bieden zich dan zichtbaar aan en zakken dan 'n beetje met de staart omlaag. Omdat dit niet bevorderlijk is voor de gezondheid van de ouders is het verstandig nu een groot deel van de jongen uit te vangen. De voedseltekorten worden hiermee opgeheven en de ouders krijgen krijgen wat meer rust.

 

Het is overigens beslist noodzakelijk dat u de jongen bij de ouders laat. Ten eerste omdat dit het mooiste is dat de Cichlidenliefhebberij te bieden heeft. Ik kan me geen liefhebbers voorstellen die dit aan zich voorbij willen laten gaan. Ten tweede, voor de ouderdieren zelf. U stelt ze hiermee in de gelegenheid een stukje natuurlijk gedrag te ontplooien, waarmee ze hun levenscyclus kunnen voltooien. Ten derde omdat broedzorg deels is aangeleerd, waardoor jongen van kunstmatig grootgebrachte nesten later ook minder goede ouders worden en lest but not least, omdat de ouders bij het verlies van jongen elkaar te lijf gaan waarbij dit niet zelden eindigt met de dood van het vrouwtje.

Aquarium: 

Sinds 1904 zwemt deze vis al in onze aquaria, er is zodoende veel ervaring opgedaan, iets dat aan de omvang van deze visbeschrijving al is af te lezen. De vis bleek minder agressief dan zijn reputatie deed vermoeden. Dit betekent niet dat het een watje is. Het blijft 'n grote M-Amerikaanse Cichlide met bijpassend temperament. De vissen zijn echter, mits het aquarium groot genoeg, wel samen te houden met andere grote vissen. De kans is zelfs groot dat deze (buiten de paartijd) geheel genegeerd worden. Kleinere vissen worden als prooi beschouwd en kunnen dit binnen vier ruiten alleen overleven als ze snel genoeg zijn zoals bijv. Astynax of Xiphophorus Grofbladige beplanting met bijv. Echinodorussoorten is mogelijk. Buiten de paartijd worden planten geheel met rust gelaten. In de paartijd echter worden ze nog wel eens uitgegraven. Daarom moet u de planten ( nog vóór dat het zand de bak in gaat) eerst verankeren met grove kiezelstenen van zo'n 5 cm doorsnede.  R. octofasciata kan redelijk goed tegen zuurstofarme omstandigheden, maar ze komt echter nergens ter wereld in vervuild water voor dus alhoewel de chemische watersamenstelling van ondergeschikt belang is dient het water altijd schoon te zijn. regelmatige waterverversing blijft dus noodzakelijk. Ook wat betreft de temperatuur kent R. octofasciata een opzienbarende tolerantie. Dit maakt het zelfs mogelijk deze soort zomers in buitenvijvers te houden. Maar wat mogelijk hoeft nog niet optimaal te wezen, dus denk ik dat we er goed aan doen het temp bereik van het natuurlijk verspreidingsgebied aan te houden en deze ligt zo tussen de 24 en 30 gr. C. De minimale bakmaat voor één koppel ligt bij 140 cm.

 

Blue Dempsey
De blue Dempsey is een doorontwikkelde Mutatie van de Argentijnse aquariumhouder Héctor Luzardo, gebaseerd op een recessief gen. Deze kweeklijn kan alleen in stand worden gehouden door ze terug te kruisen op normale R. octiofaciata. Dit levert dan 25% Blue op, of 50% als het (fenotypisch) normale exemplaar het blauwe gen bij zich draagt. Onderling zijn Blue Demsey's onvruchtbaar, dan wel minder vruchtbaar. De blauwkleuring gaat blijkbaar ten koste van een aantal vitale functies. Deze vissen zijn dan ook in vele opzichten zwakker dan hun wilde verwanten. Na een artikel in Tropical Fish Hobbyist, hier te zien http://www.elacuarista.com/secciones/tfhblue.htm  nam de vis een grote vlucht en was er nauwelijks aan de vraag te voldoen.

Stoplicht: 
Groen
Herkomstgebied: 
synoniemen: 

Heros octofasciatus, Regan, 1903
Cichlasoma (Archocentrus) octofasciatum, Pellegrin, 1904
Cichlasoma octofasciatum, Meek, 1904
Heros (Cichlosoma) octofasciatus, Regan, 1904
Cichlasoma hedricki, Regan, 1905
Cichlosoma (Parapetenia) octofasciatum, Regan, 1905
Astatheros octofasciatus, Jordan et al, 1930
Cichlosoma biocellatum, Kullander, 1986
Archocentrus octofasciatus, Schmitter-Soto, 1998
Nandopsis octofasciatum, Burgess, 2000
Rocio octofasciata, Schmitter-Soto, 2007